BENZ!





Hij voelde zich niet op zijn gemak. Hij had al een injectiespuit opzij moeten schuiven voor hij plaats kon nemen en de man waar hij tegenover zat keek hem voortdurend aan.

Onrustig schoof hij heen en weer over de harde bank terwijl zijn overbuurman een meegewassen Ben-Bits uit z'n spijkerbroek opdiepte en er op begon te kauwen. Een kind met een enorme snottebel duwde de neus tegen zijn knie en liet een slakkespoor achter op zijn nieuwe broek. Met een schuivende beweging van zijn been veegde hij het kind naar de andere kant van het gangpad, waar het bij de heer De Bruin tot stilstand kwam. Deze keek hem boos aan en zei: "Ach, laat zo'n lief kind toch". De Bruin haalde z'n zakdoek te voorschijn en maakte het gezicht van het kindje schoon. De moeder nam het knaapje mee en terwijl ze wegliepen aaide De Bruin nog even over het kinderkopje.

Toen hem die ochtend werd verteld dat hij mee moest naar een kontraktbespreking had hij nog zo gezegd: "laten we dan mijn auto nemen" , maar de heer De Bruin stond er op dat ze met het openbaar vervoer gingen, dat was beter voor het milieu. En op de bank waar hij werkte -een kleine bank, gevestigd in een grachtenpand nabij het Frederiksplein- was De Bruins wil wet. Zelf was hij er al jaren administratief medewerker, zonder uitzicht op promotie of opslag.

Vertederd keek de heer De Bruin het kindje na: "kijk, daarom moeten we het milieu schoon houden: voor de toekomst van de kinderen. Jij zou ook eens de auto moeten laten staan." Ook dat nog, dacht hij geërgerd. Hij keek demonstratief naar buiten, laat die De Bruin zich toch met zijn eigen zaken bemoeien. De tram reed langs het concertgebouw toen hij onverwachts en voor het eerst die dag glimlachte, hij draaide zich om en vroeg: " Meneer De Bruin, kan ik vanmiddag met u over mijn werk spreken" . De heer De Bruin fronste, maar knikte toch: "Dat is goed, kom om 2 uur op mijn kamer."

"Neem mijn fiets maar, dan hoef je het kinderzitje niet los te maken" , riep zijn vrouw hem na toen hij de deur achter zich dichttrok en weer naar zijn werk ging. Hij had tussen de middag zijn auto naar huis gebracht en lekker thuis geluncht.

Buiten zwaaide hij naar de rode Opel-rekord die kwam aanrijden; hij was al een tijdje heimelijk verliefd op zijn buurvrouw van 52, 3 hoog. Hoewel hij niet zoveel tijd had hielp hij haar met uitladen. Hij droeg een stapel hout naar haar bergruimte en tilde die boven zijn macht op de planken die daar al lagen. Een pijnscheut schoot door zijn rug, maar het "hartstikke bedankt, hoor!" van de buurvrouw vergoedde veel. Een beetje blij van binnen reed hij met een hoeraatje het trottoir af. Zijn plannetje vanmiddag ging zeker lukken, hij voelde het. De fiets van zijn vrouw had versnellingen, zo kon hij met een trage pedaalslag toch een hoge snelheid bereiken: een machtig gevoel.

Hij keek op zijn horloge, vijf voor twee. Hij moest zich nog haasten, de heer De Bruin was heel stipt en hield er niet van dat mensen te laat kwamen, dus versnelde hij nog eens extra.

Hij begon te zweten en zijn overhemd voelde onprettig klam aan. Eén minuut voor twee draaide hij met een ruime bocht, hij reed nu heel hard, het Frederiksplein op. Zijn wielen bonkten de trambaan op. Hij probeerde terugtrappend te remmen, maar hij ondervond geen enkele weerstand, de fiets had handremmen. Hij verloor zijn evenwicht en kwam gevaarlijk dicht bij de tramrails: hij reed al op het randje van het ijzer.

Vanuit zijn kantoor keek de heer De Bruin uit over de straat.

Het was twee uur geweest, zijn ondergeschikte zou te laat komen, dat maakte het gemakkelijker om ook deze keer weer loonsverhoging te weigeren. Een zwarte Mercedes reed met hoge snelheid voorbij. De heer de Bruin keek de auto na en zuchtte, hij vond ze een gevaar op de weg, die taxi's. Aan het eind van de straat kwam een fietser veel te ruim uit de bocht, reed de trambaan op, begon te slingeren en raakte met zijn wiel in de rails. De fietser kneep de handrem vol in en het voorwiel blokkeerde. In een reflex wist hij zich naar opzij af te zetten en hij kwam net naast de aanstormende taxi op de grond neer. De fiets sloeg over de kop, recht op de taxi af.

Hij had haar meegenomen om de heer De Bruin te vertederen en te overtuigen van het nut om hem opslag te geven. Ze heette Linda, ze was zijn dochtertje van vier en een schattig klein meisje met een mooie blonde paardestaart. Ze zat klem in het kinderzitje op het stuur en haar hoofdje raakte de zwarte taxi precies midden op de grill.

Heel even was het dodelijk stil in de werkkamer van de heer De Bruin, toen klonk er een doffe dreun.

(c) tekst: Marten Hoekstra

Terug naar de index van teksten

 


Ongewijzigd sinds 1 oktober 1996
© Marten Hoekstra
Onderdeel van
http://www.xs4all.nl/~marten